Tweedehandskleding doneren: zegen of vloek?

26 februari 2018 -  | Herbert van Daalen

Gelezen in het Nederlands Dagblad van zaterdag 24 februari 2018. Zie onderaan het artikel een bericht, waarin Ria Wormsbecher en Aleksandar Subotin worden aangehaald:

Een iets te klein geworden trui, laarzen die uit de mode zijn: we gooien ze graag in een textielcontainer. Met een goed gevoel, want behoeftigen ver weg zijn erbij gebaat en het milieu wordt gespaard! Toch willen verschillende Afrikaanse landen de grenzen sluiten voor westerse tweedehandskleding. Het is nog de vraag wat dat teweegbrengt. En of het überhaupt lukt.

In Benin lopen particuliere beveiligers rond met een oud PTT Post-uniform, in Servië bezitten sommige kinderen het oranje shirt van de EO-Jongerendag 2012. Wie door Afrika of Oost-Europa reist, heeft een redelijk grote kans een plaatselijke bewoner te treffen in kleding met een Nederlandse opdruk. Dat is niet zo verwonderlijk. Al decennialang gaan er tientallen miljoenen kilo’s tweedehandskleding per jaar vanuit Nederland naar ontwikkelingslanden, om daar verkocht te worden.

Dat feitje levert op een gemiddeld verjaardagsfeest verbaasde blikken op. ‘Veel mensen denken dat de kleding die ze in een textielcontainer gooien, gratis wordt weggegeven aan de armen’, merkt Paul Hoebink, gepensioneerd hoogleraar ontwikkelingssamenwerking van de Radboud Universiteit Nijmegen. ‘In werkelijkheid is die tweedehandskledingindustrie internationaal gezien een miljardenhandel.’

Dat zegt meer over de grote hoeveelheden gedoneerde kleding die worden verscheept en verhandeld, dan over het geld dat de nieuwe eigenaars voor hun tweedehandsgarderobe neerleggen. Een gedragen spijkerbroek kun je volgens professor Hoebink in de meeste Afrikaanse landen voor nog geen twee euro op de kop tikken. Maar juist vanwege die lage prijs ligt deze vorm van kledinginzameling en -handel al een tijdje onder vuur. Er zou sprake zijn van oneerlijke concurrentie.

dode blanken

‘Vroeger dacht ik: supermooi dat je gedragen kleding niet hoeft weg te gooien maar kunt inleveren. Dan hebben anderen er wat aan’, blikt Woord en Daad-medewerker Eddie Krooneman terug. Die opvatting veranderde toen hij in 2013 voor zijn afstudeeronderzoek naar Oeganda ging. Nu noemt Krooneman de werkelijkheid genuanceerd: ‘Ook mooie intenties kunnen veel ellende veroorzaken. De lokale textielindustrie krijgt grote klappen te verwerken sinds ontwikkelingslanden onze tweedehandskleding ontvangen.’ Zo’n vijfhonderd kilometer van de hoofdstad Kampala raakte hij in plattelandsdorpjes onder de indruk van de enorme hopen kleding die op kleedjes lagen uitgespreid. Plaatselijke handelaren boden er zowel nieuwe als tweedehandskleding aan, maar Krooneman merkte bij het winkelend publiek tot zijn verrassing een voorkeur voor de gedragen spullen uit het rijke Westen. ‘Die hebben toch een betere kwaliteit, al zijn ze een paar jaar oud. Gemaakt van een goede stof; fijner geweven. De aangeboden nieuwe kleding is vaak afkomstig uit Azië en van een bodemkwaliteit. Denk maar aan die naar zittende plastic schoenen, die je in Nederland voor een paar euro bij de Wibra koopt.’

Een expat in Benin, die niet bij naam genoemd wil worden, merkt ook dat lokale bewoners onder de indruk zijn van de staat van kleding uit het Westen: ‘Ze denken dat de yofo’s (blanken) die de kleding bezaten, waarschijnlijk overleden zijn. Waarom zouden ze anders zulke goede kleding – met slechts wat gaatjes – wegdoen?’ In buurland Nigeria gebruiken inwoners de veelzeggende term kafa ulaya: kleren van de dode blanken. Veel kinderen krijgen er alleen een nieuwe, lokaal geproduceerde outfit voor speciale gelegenheden.

Als het aan kledinginzamelende organisaties ligt, is de behoefte aan die duurzame kwaliteit een van de redenen waarom het verschepen van tweedehandskleding naar ontwikkelingslanden moet doorgaan. In 2016 lieten zes Oost-Afrikaanse landen weten de grenzen binnen drie jaar volledig te willen sluiten voor de import van tweedehandskleding. De regeringen van Kenia, Oeganda, Rwanda, Tanzania, Burundi en Zuid-Soedan verklaarden toen dat de eigen textielindustrie te zeer lijdt onder de oneerlijke concurrentie van die import. Niet iedereen is overtuigd van dat argument voor zo’n importstop en van de te verwachten gevolgen.

straffeloos

Marc Vooges denkt dat de inwoners van ontwikkelingslanden ‘nog steeds smachten naar kwalitatief goede tweedehandskleding uit het Westen’ – wat hun regeringsleiders ook zeggen. Vooges is directeur bij Stichting Sympany. De stichting haalt jaarlijks gemiddeld 23 miljoen kilo kleding op via textielcontainers, winkeliers, bedrijfsdonaties en huis-aan-huisinzamelingen. De organisatie beschikt over vijf sorteercentra en is een van de grootste ­kledinginzamelaars van Nederland; alleen het Leger des Heils verwerkt iets meer. Vooges: ‘Het is mooi meegenomen dat we in onze centra banen kunnen bieden aan mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Maar het hoofddoel van de kledingopbrengst is het mogelijk maken van ontwikkelingsprojecten in Afrika en India.’ Naast subsidies en financiële donaties uit het bedrijfsleven, is Sympany afhankelijk van de kledinginkomsten.

Hoewel Vooges aangeeft te begrijpen dat er discussies zijn over de handel, storen ze hem ook. ‘Mensen die niet weten waar ze over praten, mogen straffeloos hun ongefundeerde mening rond roepen en beïnvloeden daarmee anderen.’

Tijdens een radio-uitzending van Dit is de Dag in 2016 verweet hoogleraar Hoebink directeur Vooges in een dubbelinterview dat hij niet goed genoeg beseft en onderzoekt welke negatieve impact de export van tweedehandskleding heeft op de ontvangende ontwikkelingslanden. Vooges: ‘Na die discussie heb ik nog eens bij onze partners in de Afrikaanse landen nagevraagd hoeveel lokale textielfabrieken er zijn gesloten sinds onze handel. Dat aantal is nul. We werken al dertig jaar met die partners; er was vanwege oorlogssituaties helemaal geen kledingindustrie voordat wij kwamen.’

Hoewel Sympany niet actief is in de Oost-Afrikaanse landen die de importstop aankondigden, heeft Vooges wel een idee van de achterliggende reden voor dat verbod. ‘De overheden daar worden veel geholpen door de Chinezen, bijvoorbeeld op het gebied van wegenbouw. Ik kan het natuurlijk niet hard maken, maar het zou me niet verbazen als textielproducent China in ruil daarvoor vraagt of de concurrentie van de tweedehandsmarkt wat minder kan.’

fatale beslissingen

Ook textielinkoper Edwin van den Brand vermoedt dat ‘lobbyisten goed werk hebben geleverd voor de importstop’. Van den Brand maakt geregeld zakenreizen naar India, woonde enkele jaren in Afrika en onderzocht voor zijn masterscriptie welke invloed de import van tweedehandskleding tussen 1980 en 2005 had op de lokale kledingindustrie en werkgelegenheid in Sub-Sahara-Afrika. Zijn conclusie verraste de begeleider van de Universiteit Utrecht: er is volgens Van den Brand geen oorzakelijk verband.

Vanaf de jaren tachtig ging de lokale kledingindustrie in Sub-Sahara-Afrika hard achteruit. Critici wijten die neergang aan de import van goedkope, oneerlijk concurrerende westerse kleding. Van den Brand denkt dat andere oorzaken een belangrijkere rol speelden: fatale beslissingen van de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds, economische achteruitgang, de sterke Aziatische concurrentie, gebrekkige binnenlandse politiek, de opheffing van quota op geïmporteerde goederen … Van den Brand: ‘In mijn ogen werkt tweedehandskleding totaal niet marktverstorend. Heel veel mensen hebben helemaal geen geld voor nieuwe kleding. Kritiek op deze handel komt voort uit onwetendheid.’

Hoogleraar Hoebink erkent dat er meerdere oorzaken zijn van de veelal kwijnende Afrikaanse textielindustrie, maar hij heeft ook een kanttekening: ‘Vaak wordt vergeten dat de textielindustrie een startpunt is voor verdere ontwikkeling. Als de arbeidsintensieve kledingsector de ruimte krijgt, geeft dat een boost: het trekt ook andere industrieën aan. Nu wordt die ontwikkeling belemmerd.’

Krooneman maakt met een vergelijking duidelijker hoe de instroom van tweedehands spullen lokale ontwikkelingen tegenhoudt: ‘Als ik lantaarnpalen produceerde in Nederland en er kwamen opeens ladingen spotgoedkope, tweedehands lantaarnpalen uit China met de boodschap “we weten dat jullie het nodig hebben”, zou ik ook verontwaardigd zijn. Daar valt niet tegen te concurreren.’

Wat de discussie over dit thema vertroebelt, geeft zowel Van den Brand, Vooges als Hoebink toe, is het gebrek aan volledig en betrouwbaar cijfermateriaal. Dat maakt het onmogelijk stellige uitspraken te doen over bijvoorbeeld de impact van westerse tweedehandskleding op de werkgelegenheid in de betreffende Afrikaanse landen.

illegale handel

Stichting Sympany merkt volgens Vooges nog niets van de invoering van de aangekondigde importstop die per 2019 definitief zou moeten zijn. ‘Het is nog niet zover. En misschien komt het er ook helemaal niet van.’ De directeur vermoedt interne discussie, tussen de Afrikaanse regeringen en de belanghebbenden: plaatselijke tussenhandelaren in tweedehandskleding met name.

Hoebink vreest om een andere reden voor het onvoltooid blijven van de maatregel: ‘Van Amerikaanse zijde wordt een vies spelletje gespeeld. Daar staan duizenden banen op de tocht als het verbod er komt.’ Volgens de hoogleraar oefenen de Verenigde Staten druk uit op de betreffende ontwikkelingslanden door vraagtekens te zetten bij bestaande handelsakkoorden. ‘Voor een land als Oeganda is de koffie-export belangrijker dan textiel. Als die export bedreigd wordt, gaat zo’n land denken: misschien moeten we het importverbod toch opschorten of anders inrichten.’ Hoebink noemt het komende jaar om die reden ‘spannend’.

En als de importstop er toch komt? ‘Dan is de kans groot dat er een stroom van illegaal geïmporteerde tweedehandskleding op gang komt’, denkt Vooges. Hoewel Sympany geen handel drijft met de landen die de stop aankondigden, zal ook deze stichting de gevolgen voelen: ‘We krijgen dan concurrentie van de handelaren die hun spullen daar niet meer kwijt kunnen; onze inkomsten zullen afnemen.’

Volgens Van den Brand zijn de Afrikaanse landen ‘nog lang niet toe’ aan de opbouw van een zelfvoorzienende kledingindustrie. ‘Het is bijna onmogelijk om tegen dezelfde kosten als Azië te produceren. Er is veel nodig voor het opbouwen van een fabriek: toeleveranciers, voldoende water, plaatselijke concurrenten zodat klanten keuze hebben, een goede infrastructuur … Ik moet nog zien of dat van de grond komt.’

Hoebink en Krooneman zijn hoopvoller gestemd. Zij voorspellen dat een importstop op lange termijn gunstig uitpakt voor de desbetreffende landen. ‘De mensen die nu een mooi handeltje hebben, krijgen het op korte termijn moeilijk. Maar uiteindelijk is een florerende eigen industrie altijd beter dan een afhankelijkheidspositie’, denkt Krooneman. ◆

gratis tweedehandskleding

Niet alle Nederlandse tweedehandskleding wordt doorverkocht. Er zijn ook inzamelingsinitiatieven om gratis kleren te verstrekken aan mensen in nood. Hoogleraar ontwikkelingssamenwerking Paul Hoebink ziet geen bezwaren als het om zulke acties gaat. ‘Er zijn bevolkingsgroepen die buitengesloten zijn van de markt doordat ze eenvoudigweg geen geld hebben. Dan vormt de geschonken kleding dus ook geen concurrentie.’

Ria Wormsbecher brengt namens Stichting Hulp Oost-Europa al vijftien jaar goederen naar twaalf dominees in de regio, die ter plekke verantwoordelijk zijn voor een goede bestemming. ‘Het is in allerlei opzichten onvergelijkbaar met Afrika. Hier vries je dood zonder goede kleding. Mijn zusje woont in Oeganda; die bevestigt dat de situatie in Oost-Europa schrijnender is.’

Een van de ontvangende dominees is Aleksandar Subotin, uit Noord-Servië. Hij is dankbaar dat hij vooral de arme Romabevolking kan ondersteunen. ‘Dankzij de kleding uit Holland kunnen er kinderen naar school. En bij het rondbrengen maken we gebruik van de gelegenheid om het evangelie te verkondigen.’ Subotin kent een paar kleine lokale kledingverkopers. ‘Veel Serviërs kopen hun kleding bij Chinese winkeltjes. We hebben geen problemen met de eigenaars. Ze zien de nood. Iedereen is blij als er weer een transport uit Nederland komt; dan vieren we samen feest.’


--- Ontdek meer over onze huidige campagne ---

Meer informatie over onze huidige campagne

5 oktober 2022

Deze moeder leeft samen met haar zes kinderen. Diaconaal medewerker Tünde Barabás in Roemenië vertelt over haar leven. “Het leven heeft haar op de proef gesteld. Haar man dronk veel en misbruikte het gezin. Daarom scheidden ze. De ouders... Lees meer

3 oktober 2022

Dit kleine meisje is nog maar 7 jaar oud, maar ze heeft heel wat te lijden gehad. Dat vertelt Tünde Barabás, diaconaal medewerker in Roemenië. “Haar moeder verliet haar toen ze een jaar oud was. Haar vader heeft haar... Lees meer

28 september 2022
Thema: , ,

Deze vader in Misca (Roemenië) voedt zes kinderen alleen op. Zijn vrouw verliet hen na de geboorte van hun jongste kind. Hij is toegewijd om goed voor de kinderen te zorgen, meldt diaconaal medewerker Tünde Barabás. Ze constateert dat... Lees meer