HOE-50-NL-los-outline
Doneer

Verhaal

Matyas en de brand

Door: Helga van Kooten
Illustratie: Adriana Margriet Grant

Matyas trekt zijn shirt over zijn mond en neus. Die vlammen … Nee, niet over nadenken. Naar binnen! 

Hun huisje is niet groter dan één kamer. Normaal zou hij zijn moeder meteen zien. Maar nu  … De rook prikt in zijn ogen. Dan loopt hij ergens tegenaan. Hoestend zakt hij op zijn hurken. ‘Anya? Mama?!’ 

‘Wakker worden!’ 

Matyas doet zijn ogen open. Waar is hij?  

Ja, hij weet het weer: in het huis van bácsi Gaspar en néni Anna, oom en tante. Daar slapen ze al sinds vrijdag, sinds de brand. En elke nacht ruikt hij in zijn dromen de rook weer, voelt hij de schroeiende hitte, ziet hij zijn moeder weer liggen, voor de kachel. 

Laszlo en Eszter zijn al opgestaan. Ze zijn vast in de andere kamer. Door het dikke gordijn heen hoort Matyas zijn zusje. 

‘Kom!’ zegt zijn moeder, en ze klakt met haar tong. ‘Je moet naar school.’ Met haar adem maakt ze wolkjes in de lucht. 

‘Ik wil niet.’ Matyas draait zich om op het matras. Onder de dekens is het nog lekker warm. 

Zijn moeder zucht. ‘Daar hebben we het al over gehad, toch?’ 

‘Ik wil naar mijn eigen school.’ Matyas trekt de dekens over zijn hoofd. 

‘Je hebt papieren nodig voor je eigen school’, zegt zijn moeder. ‘Maar die papieren zijn …’ 

Jaja, hij weet het wel. Oom Gaspar heeft het uitgelegd. Alles is verbrand, ook zijn registratie. Hij had geroepen: ‘Wat maakt dat nou uit?! Ze kennen me toch?’ Maar zo werkte dat niet. En misschien dat hij wel nieuwe papieren kan krijgen, maar zulke dingen kosten tijd. Hoeveel tijd, dat had oom Gaspar er niet bij gezegd. 

‘Wees blij dat je tenminste nog naar school kúnt,’ zegt zijn moeder, ‘dat de juffen van Laszlo en Eszter het goed vonden dat je terugkwam.’ 

Ach ja, hij moet blij zijn. Van oom Gaspar ook. ‘Wees God dankbaar dat je moeder het heeft overleefd.’ En dat ís hij ook. Maar … hij had zich zó groot gevoeld toen hij na de zomer eindelijk naar de andere school mocht, de school verderop, waar ook andere kinderen naartoe gaan. 

Matyas steekt zijn hoofd boven de dekens en kijkt over zijn schouder. Zijn moeder is weg.  

‘Op de school van Laszlo en Eszter krijg je een lekker ontbijtje, hè, Matyas!’ roept tante Anna vanachter het gordijn. ‘Wat zullen ze vandaag voor lekkers hebben?’ 

O ja! Daar had hij nog niet aan gedacht. 

Matyas laat zich van het matras rollen. 

De kinderen op de andere school dragen altijd schone kleren. ‘Heb je nou alweer dat shirt aan?!’ had Zsófia op een dag geroepen, toen hij er nog niet zolang was. ‘Hebben jullie thuis geen wasmachine?’ 

Het klonk niet gemeen. Zsófia was anders dan sommige andere meisjes in zijn klas. Aan haar durfde hij het wel te vertellen. 

‘Maar hoe wassen jullie dan je kleren?’ had ze gevraagd. 

Matyas had zijn schouders opgehaald. ‘We dragen ze tot het niet meer gaat.’ 

Hij had er maar niet bij verteld dat ze de afgedragen kleren altijd op een hoop achter het huis gooien en dat zijn moeder daar de kachel mee aanmaakt. 

Zo was de brand ontstaan. Toen zijn moeder een oude trui in de kachel wilde stoppen, ging er iets mis, en in een mum van tijd stond hun huis in lichterlaaie.  

Van ver had hij de zwarte rook gezien. Hij had het direct gevoeld, in zijn buik: dat het hún huis was. Nog nooit had hij zó hard gelopen. 

Zsófia had hem die ene dag in de zomer meegenomen naar haar huis. ‘Dit is Matyas’, had ze tegen haar moeder gezegd. ‘Hij komt hier zijn kleren wassen.’  

En daarna had ze hem haar ochtendjas gegeven, met hartjes. Met alleen maar die ochtendjas aan was hij voor de wasmachine gaan zitten kijken naar zijn broek, zijn boxer, zijn shirt en zijn sokken, net zolang tot het draaien stopte en er een piepje klonk. Daarna had hij alles nat aangetrokken. 

Zou Zsófia hem hebben gemist op school, gisteren? Zou ze weten wat er is gebeurd? 

Matyas duwt het gordijn opzij. Laszlo en Eszter staan al bij de deur, klaar om weg te gaan. 

‘Trek direct je jas maar aan’, zegt tante Anna. ‘Het is tijd.’ 

Matyas wil nog steeds niet, maar zijn maag knort, en hij heeft wel zin in ontbijt. 

Zijn moeder zit aan tafel, haar hoofd in haar handen. 

‘Rits maar helemaal tot bovenaan dicht’, zegt tante Anna. 

Het is nog donker buiten. Zijn broertje en zusje komen vlak achter hem aan. ‘Deur dicht!’ roept oom Gaspar. 

Aan het eind van de straat voelt Matyas opeens het warme handje van Eszter in zijn rechterhand. En een paar tellen later Laszlo’s hand links.  

Huilt hij nou? Of komt het door de wind? 

Via de Hongaars Gereformeerde Kerk ondersteunt HOE zes Romascholen in het westen van Oekraïne. Vanuit deze scholen stromen Romakinderen steeds vaker door naar de reguliere staatsscholen. Dit verhaal is gebaseerd op een waargebeurde geschiedenis.